Wadi in werking

Het klimaat verandert, en de kans op grote neerslagpieken neemt toe. Op steeds meer plekken worden daarom wadi’s opgenomen in inrichtingsplannen. Zo ook in de Hof van Carthesius in Utrecht waar ik op bezoek was, en het flink begon te regenen. Het is triviaal, maar toch leuk om te zien hoe het water over de paden stroomt, en wordt weggevangen in een wadi midden tussen de gebouwen. En verder past het mooi als een plek voor moerasplanten zoals gele lis en watermunt, in een tuin met groenten en veel inheemse wilde planten.

Wad voor de bui

De bui barst los, de regenton loopt over

Na een uur regen, de wadi half vol. ze hebben nog een beetje buffer.

De Hof van Carthesius is een interessante plek waar kleine bedrijfjes en zzp ‘ers zich vestigen in gebouwen van hergebruikte bouwmaterialen. Daarmee voegen ze een mooie creatieve poot toe aan de herontwikkeling van het Werkspoorkwartier, waar ooit treinen en spoorbruggen werden gebouwd.

Zie verder https://hofvancartesius.nl/

 

 

Advertenties

Vogels op biologisch bedrijf Veld en Beek

Biologische Boerderij Veld en Beek werkt als biologisch bedrijf zonder gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest.

De ondernemers willen graag meer zicht krijgen op wat hun bedrijf oplevert voor de biodiversiteit. Ze hebben de indruk dat er in een paar jaar tijd steeds meer vogels komen. Kan een biologisch bedrijf vogels van akkers, weiden, erf en struweel vooruit helpen? En kan het een antwoord vormen op de achteruitgang van insecten? Voor een begin van een antwoord op deze vraag heb ik met Marijke, een van de ondernemers, op 18 mei een rondje over het bedrijf gelopen en alle vogels die te zien en te horen waren genoteerd.

Het verslag vind je op hun website:

Vogels op Veld en Beek

Ik hoop dat de vogellijst nog gaat groeien, omdat er meer vogels zitten, en omdat er meer waarnemers komen!

En twee van die vogels zie je hieronder, overigens gefotografeerd op de Holterberg: man en vrouw kneu (zoekplaatje!). DSC05099kneukl

Eerste hulp bij insecten!

Er zijn veel berichten over de achteruitgang van insecten, en dat trekt de aandacht van natuurliefhebbers en vogelaars die tot voor kort weinig van insecten wisten. Heel wat vogelaars jagen nu het land door op zoek naar de zeldzame vlinder of libel die ergens is gespot. Maar ook gaan meer mensen weer bijen houden, en bijenzadenmengsels gaan als snoepjes over de toonbank bij supermarkt en natuurorganisaties.

De meidoornbladwesp lijkt op een hommel maar heeft knotsvormige sprieten.

Veel bloemen in je tuin loont, vooral als je een estafette creëert: een  variatie aan soorten die achter elkaar aan bloeien. Naast honingbijen en dagvlinders lok je zo een enorme variatie aan wilde bijen, wespen en vliegen. Van wespen en vliegen zijn veel en zeer uiteenlopende soorten, en zelfs de groepen zijn moeilijk uit elkaar te houden. Zo is de bijvlieg een vlieg die zich camoufleert als bij; waarmee hij ontzag hoopt in te boezemen bij zijn vijanden, hoewel hij niet kan prikken. De wespbij is een kleine bijensoort die er uit ziet als een wesp en  zijn eitjes stiekem in de holletjes van andere wilde bijensoorten legt. Als bijen op wespen lijken, en vliegen op bijen, wordt het wel ingewikkeld.

Sinds twee jaar bieden internet en smartphone Eerste Hulp Bij Insecten. Obsidentify is een app waar je een foto van een vondst kunt invoeren. De app geeft aan wat hij denkt wat het is, hoe zeker hij daarvan denkt te zijn , en welke andere soorten er op lijken. Na een testfase ontwikkelt de app snel verder en mijn ervaringen met insecten zijn verrassend goed. Ik heb dit voorjaar weer een stuk of tien soorten toegevoegd op onze tuinlijst.

Zo ontdekte ik de meidoornbladwesp, die volwassen op een hommel lijkt, en als larf op een (vlinder)rups. En op look-zonder-look vond ik de pinksterbloemlangsprietmot en de koolschildwants. Wie er op let vindt heel wat juweeltjes in de tuin, die geen mens kwaad doen. Met de EHBI is het snel klaar, en genieten maar.

Geplaatst in de Gelderlander 19 juni 2019

Een insektenpareltje komt even bij op de container naast de keukendeur: De citroenzweefvlieg, te herkennen aan de gele schouderstreep.

De veranderlijke boktor kan verschillende kleuren hebben, o.a. saaibruin. Maar kijk een naar die fraai gelede sprieten en poten!  

 

Ont-moeten in de natuur

In mei barst de natuur zowat uit zijn voegen. Alle trekvogels zijn terug en laten uitbundig van zich horen. De vroegste merels en mezen vliegen al uit en gaaien en katten loeren op de nog wat onhandige vliegers, luidkeels uitgescholden door de ouders. Het ruikt zoet naar meidoorns in de uiterwaarden, lelietjes-van-dalen in een bostuin. In bermen en slootkanten tuimelen fluitenkruid, boterbloem en veldzuring over elkaar heen om de hoogste, en meest opvallende te zijn.

Scherpe boterbloem, fluitenkruid en veldzuring groeien tot in de hemel.

De vlinders hebben hun voorjaarspiek al gehad, maar hommels, zweefvliegen en nog veel meer moeilijk te identificeren insecten vliegen druk rond door de bloemenzee.

Voor mij is natuur elke dag een feest, een dag niet buiten voelt alsof ik iets mis. Tegelijk is het een heerlijke plek om niets te moeten. Even zitten in de tuin te zitten, of langs de slootkant, en kijken wat er allemaal langs komt vliegen. Dat is pas Ont-moeten.

De meimaand is bij uitstek geschikt om meer mensen van de natuur te laten genieten. Dat bedachten ze jaren geleden al in Frankrijk, met het organiseren van een Fête de la Nature. Een paar jaar geleden is het overgewaaid naar Nederland en nu worden hier op tal van plaatsen excursies en ontmoetingen georganiseerd. De publiciteit is landelijk, de organisatie ligt bij lokale organisaties die het leuk vinden ook een positief geluid over natuur te laten horen. Zo zijn er 25 en 26 mei activiteiten in Wageningen, Renkum en op de Hoge Veluwe. In de Wageningse uiterwaarden kun je ’s ochtends vroeg luisteren naar een puur vogelconcert, in de Hoge Veluwe gaat een trio muzikanten een samenspel met de vogels aan. Wie vroeg opstaan teveel moeten vindt, kan in Wageningen later aanhaken in nieuwe natuur in de randen van het bedrijventerrein Nudepark, of in de groene aders door noordwest.

Ont-moet de natuur dichtbij huis, zie www.fetedelanature.nl, of voor het Wageningse programma www.mooiwageningen.nl.

 Verschenen in de Gelderlander 22 mei 2019

Slootkanten kleuren feestelijk geel, met vooral scherpe boterbloem en gele lis.

Minibloempjes onder het vergrootglas

In het warme weer ploppen overal de bloemen open. Naast opvallende bloemen zoals dotterbloem of paarse dovenetel zie je nu veel minibloemen. Hele gazons kleuren nu  wit van madelief, rose van kleine ooievaarsbekken en reigersbekken, of blauw van hondsdraf. Het is korte vreugd totdat er gemaaid wordt, dus geef de grasmaaier een weekje vakantie als het even kan. Op open plekken langs de rand van de Grebbeberg kun je wat minder gewone mini’s vinden. Bloemetjes van een millimeter stralen de aandachtige waarnemer toe. Pak een vergrootglas en ontdek het diep blauwe bloempje met geel hartje van het ruw vergeet-mij-nietje, een paar bloempjes aan een ijl plantje dat vaak maar 5 cm hoog wordt. Daartussen staan bleekblauwe mini’s van de veldsla, ook klein maar in fraaie bloemhoofdjes bijeen. Veldsla vind je ook in de winkel, maar dan zonder bloemen.

De bleekblauwe bloemhoofdjes van de veldsla kun je zoeken aan de voet van de Grebbeberg.

De veldsla van de grebbeberg is de wilde vorm van de veldsla die je kunt eten. Van oudsher is het een wintergroente, in contrast met kropsla die bij de eerste vorst verdwijnt. Ook de wilde veldsla kiemt in het najaar, om dan gelijk in het voorjaar te bloeien. De blaadjes zijn te klein voor ons om te eten, de bloempjes zijn zelfs te klein voor insecten. Althans, veldsla moet het hebben van zelfbestuiving. Goede zaadzetting is wel belangrijk, want over een maand verdwijnt deze plant ondergronds. Alleen het zaad overleeft tot de volgende herfst, voor zover  muizen of kleine kevertjes ze niet opeten.

Het ruw vergeet-mij-nietje, piepklein en vrij zeldzaam.

Veel kleine bloemen zijn toch van belang voor de kleine insecten. Ooievaarsbekken voor de kleinste vlinders zoals kleine vuurvlinder, en voor soorten bijen en zweefvliegen die ons meestal ontgaan, omdat ze niet groter worden dan vijf tot acht millimeter. Dat zijn bijvoorbeeld groefbijtjes die net als mieren tussen de stoeptegels leven naast het bloeiende gazon. Of in een zandrandje aan de voet van de Grebbeberg, direct naast de mini’s.

Gepubliceerd in De Gelderlander 24 april 2019

Ontwakende natuur in het Binnenveld

Nu de zomertijd net is ingegaan, hoef je even minder vroeg op om het prille morgenlicht te pakken. Deze keer geen echte zonsopkomst, want er waren lage wolken, en mist. Maar dat is weer goed voor mooie plaatjes. Optrekkende nevel, vage horizons in en dan opeens de zon.

En dan is het genieten in de omgeving van de Grift. Grutto’s, kievit, wulp en tureluur laten zich allemaal horen, soms om de beurt, soms tegelijk. En ook de blauwborst is weer terug uit Afrika, met zijn vrolijke fluit- en kwettertonen vindt hij toch weer een paar rietkraagjes en bosjes die zijn gepaard bij de graafwerkzaamheden. Ook een paarse dovenetel is prachtig in de dauw, deze planten bloeien nu heel uitbundig.

Gegraven wordt er volop, en ooievaar en grote zilverreiger komen graag in de buurt kijken wat voor hapjes dit losmaakt uit de grond. Verder zie ik bij een uitgegraven plas twee kleine plevieren. Die je zie je in deze omgeving niet zo veel, maar het  zijn echte pioniervogels die van open grond houden. En dan zit er ook nog een eendachtige die ik helemaal niet ken, een wat nijlgansachtige vogel,  met bruine kop en heel korte snavel.

Ook de scholekster zit te kijken op afgegraven grond.

 

Ooievaar en grote zilverreiger blijven inde buurt van de gravers

Ik ben niet de eerste die hem hier ziet, hij is al op naam gebracht als manengans, en moet zijn ontsnapt uit een volière.

De manengans zwemt zomaar langs, ik wist niet een dat hij bestond.

Ook bij de Egelsteeg zijn in en rond het plas leuke vogels te zien. Zo zijn er nu twee paartjes dodaars fanatiek aan het roepen. Ze duiken ook veel zoals ze bijna altijd doen, maar elke keer als ze boven komen klinkt er zijn lachje weer over het water. De ransuilen zitten nu niet meer in groepen zoals de winter, maar als je geluk hebt vind je er zomaar een in een boom langs de weg.

Twee dodaarzen, kleine futen met een opvallende lichte dot veren.

Ook in een loofboom valt een ransuil niet eens erg op. 

Wat een voorrecht dat ik met een paar kilometer fietsen zo wakker kan worden met de ontwakende natuur. Daar fris je van op, en het nodigt uit om energiek verder te gaan!

Graafnatuur en tureluur

Veel te zien langs het fietspad van de Grift

Wie een paar maanden niet meer langs de Grift heeft gefietst, schrikt zich wild. Het graslandgebied aan de Gelderse kant van de Grift staat op zijn kop. De oever is afgegraven en daarachter zijn een kade en een geul gemaakt. In de weilanden zijn sloten gedempt, op andere plekken nieuwe gegraven. Aan de Wageningse kant valt het nog mee, maar verder naar het noorden ziet het er nu dramatisch uit: overal hopen grond, plassen, rijplaten en graafmachines.

In het zuidelijke deel nog weinig gegraaf, maar door de gedempte sloten wel veel plasdras

In het noordelijke deel worden nu een aantal stukken nabij de Grift afgegraven.

Boeren, burgers en natuurbeheerders hebben samen een plan gemaakt voor de Binnenveldse Hooilanden. In de laatste fase van planvorming waren juist de weidevogelwerkgroepen het meest ongerust. Blijft het gebied met “botanisch beheer ” geschikt voor weidevogels? En waar moeten de vogels naartoe tijdens al dat gegraaf?

Ondanks dat het graven een heel jaar doorgaat, houdt de aannemer rekening met weidevogels. De gronden die in de broedtijd aan de beurt zijn worden vooraf onaantrekkelijk gemaakt door ze kort te maaien en te slepen. En nog belangrijker: op andere plekken worden percelen extra aantrekkelijk gemaakt door er plasdrasstukken te maken.

Er komt natte natuur door de extra geul en aanleg van stukjes moeras. Afgelopen week leek alles wel plasdras, door de vele regen. Ik verwacht dat het gebied dit voorjaar veel vogels gaat trekken. Tureluur en wulp verkennen het gebied nu al. Misschien wordt het voor de kievit wel te nat, maar vinden watersnip en kwartelkoning hier een stek. Ze moeten wel even uitkijken waar de gravers bezig zijn. En goede kans dat zeldzame trekvogels hier even een tussenlanding maken. Alleen de blauwborst zal de wilgenbosjes langs de Grift missen, die moet doorvliegen naar de Groene Grens.

Vanaf het fietspad langs de Grift valt er hier veel te zien de komende tijd: graafmachines, vogels, pionierplanten die de open ruimte vullen, vogels en natuurliefhebbers die er tureluurs van worden: voor elk wat wils.

Geplaatst in de Gelderlander 27 maart 2019

Hoera het bijenhotel gaat open

Rechtsonder een bijtje op de boomschijf, en ernaast een in het holletje

Na twee weken regen zitten we in de nastuipen hiervan, maartse buiten met regen en hagel. Maar tussendoor opeens blauwe lucht, felle zon. En opeens zien we metselbijtjes voor het raam. De eerste exemplaren komen uit na de nijvere broedzorg van de bijtjes in het vorige voorjaar. We zien wel 10 mannetjes in en uit de gaatje van het bijenhotel kruipen, en lekker zonnen op de bank en op de muur op het zuiden.

En ondanks de regen ontwikkelt de natuur steeds verder, sleedoorns en wilgen beginnen al te bloeien. Met wat zon valt er weer wat  te halen voor bijen en vlinders. De merel zingt me ’s ochtends vroeg wakker. En ook de tjiftjaf laat zich alweer horen, terug uit Afrika.  Het wordt echt voorjaar.

 

Korstmos geeft kleur aan parkeergroen

Korstmossen groeien op plekken waar gewone planten niet kunnen groeien. Ze groeien op plekken waar het extreem droog is of extreem voedselarm, of waar simpelweg geen wortel de grond in kan. Ze groeien van nature op steen, op bomen en dood hout, en op stuifzand. Met een soort miniworteltjes hechten ze zich op de ondergrond. En ze passen zich aan. Som zie ik korstmossen op een metalen brievenbus, op plastic bermpaaltjes, of zelfs op rubbers van de ramen van een oude auto.

Melig takmos fleurt de haag van Spaanse aak op.

In de jaren ’80 ging het slecht met korstmossen vanwege de luchtverontreiniging. Ze hadden vooral last van zwaveldioxide in de lucht. De uitstoot daarvan, vooral uit de industrie, is inmiddels drastisch verminderd, en de korstmossen leven weer op. Het zijn wel andere soorten die het nu juist heel goed doen, namelijk korstmossen die wel van ammoniak en stikstofoxide houden. Dat zit nog wel veel in de lucht, uitgestoten door vooral veehouderij en auto’s. Een goed herkenbare groep van stikstofminners vormen de oranjegele soorten, de dooiermossen. Je ziet ze vaak op wegbomen, en extra veel in de buurt van veestallen. Ook in de stad doen ze het goed. En niet alleen op dikke boomstammen, ik ontdek ze steeds meer op de kortgeknipte haagjes zoals je die langs kruispunten van wegen en parkeerplaatsen vaak ziet. De struikjes komen zelden in bloei, want ze worden kort gehouden zodat het verkeer er geen last van heeft. Maar daardoor verliezen ze een paar keer per jaar blad, en komt er veel licht op de takjes. Daar houden de korstmossen van. En zo  vind je hier veel van die oranjegele en grijze korstjes en friemeltjes, met namen als heksenvingermos en rond schaduwmos. En op de dikkere takken vind ik zelfs af en toe de grotere soorten, met een mooie rozet of een klein polletje met afhangende takjes. Zo maken korstmossen zelfs een blokhaag de moeite waard en geven ze in de winter juist kleur aan deze miskende  struiken.

Groot dooiermos, opvallend geel korstmos dat aangeeft dat er veel stikstofvervuiling is daarnaast grauw rijpmos

Geplaatst in de Gelderlander, 27 februari 2019

 

Groene bollen rukken op in Wageningse bomen

Onder natuurliefhebbers is de maretak een bekende verschijning in het Arboretum Belmonte. Hier is de plant op bomen aangebracht , en nu duikt hij op steeds meer plaatsen in en rond Wageningen op.

Als je in de winter een groene bol in een loofboom ziet, moet het wel een maretak zijn. Hij groeit als parasiet in bomen en is het hele jaar groen, maar is in de zomer moeilijker te vinden in de boomkronen. Met de verrekijker kun je zien dat de maretak groene takken heeft die gaffelvormig vertakken en kleine groene blaadjes dragen. Ieder jaar komt er een vertakking bij, dus je kunt tellen hoe oud de maretak ongeveer is.

Een prachtige populier vol maretakken in de Wageningse uiterwaarden

De maretak groeit niet in iedere boom. Hij heeft voorkeur voor populieren en appelbomen, en voor kalkrijke  leem- en mergelgrond. Althans zo staat het in de boeken. Maar in de Wageningse uiterwaarden vind je maretakken niet alleen op populier, maar ook op meidoorn. Dat is nog niet zo raar, deze staat ook wel genoemd als waardplant. Maar in de Gerdesstraat groeit ook een maretak op esdoorn. De klei in de uiterwaarden is iets kalkhoudend, maar lang niet zo kalkrijk als in zijn oorspronkelijke leefgebied. En sinds een paar jaar staat er een maretak op het sportpark De Bongerd. En daar is de grond, van nature althans, kalkarm zand.

Af en toe vind je een maretak in meidoorn

De maretak komt nu vrijwel alleen in Zuid-Limburg voor,  maar was in een warmere periode voor de jaartelling algemeen in Noordwest-Europa. Opvallend is dat hij zich nu vanuit het arboretum verspreidt naar de uiterwaarden, en zelfs tot de noordrand van Wageningen. Speelt klimaatverandering een rol hierbij, of heeft de plant zich aangepast? Vogels, vooral lijsters, helpen de plant verspreiden.  Ze eten van de witte bessen, maar de zaden daarin plakken vreselijk, vandaar ook de naam vogellijm. De vogel strijkt zijn snavel af langs een tak, en verspreidt hiermee, en via vogelpoep, de zaadjes. Zo blijft de maretak plakken in Wageningen.

Geplaatst in de Gelderlander, 30 januari 2019