2019 wordt jaar van de ooievaarsbek

Nog minder dan mensen houdt een plant of dier zich aan de kalender van het nieuwe jaar. De eieren moeten nog gelegd, maar hoe een vogel de winter doorkomt bepaalt al mede hoeveel zij er kan leggen. En de zaden van planten zitten al in de grond. Ze wachten niet het vuurwerk af, maar gunstige omstandigheden om te kiemen. De warme droge zomer van 2018 sloeg veel gaten in de grasmatten, van gazon tot natuurterrein. Die open plekken bieden kansen aan snelle kiemers, en die zijn  massaal gekomen.

De bedauwde rozet van de kleine ooievaarsbek

In grasvelden en weilanden zie je nu overal de rozetten en blaadjes van deze planten. Daarbij springt vooral de ooievaarsbek in het oog, met ronde blaadjes met diepe insnijdingen. Van dichtbij kun je zien dat ze kort maar dicht behaard zijn, en vaak zijn de bladoksels wat rood aangelopen.

De bloei komt in april en mei met kleine rose bloempjes. En daarna komende vruchten met een soort snavel waaraan de plant zijn naam te danken heeft. Er zijn in Nederland zo’n 15 soorten ooievaarsbek, de algemeenste twee de kleine en zachte ooievaarsbek zijn. Deze blijven klein, een aantal grotere soorten zijn zeldzamer maar worden ook wel als tuinplant gehouden.

De gewone reigersbek in bloei in mei, met iets grotere bloemen dan de kleine ooievaarsbek

De donkere ooievaarsbek, een dankbare tuinplant voor hommels

Deze twee ooievaarsbekken kunnen min of meer het hele jaar door kiemen, en soms in de winter bloeien. Maar ondanks het zachte weer heb ik nog geen bloempjes gevonden. De zomer van 2018 heeft alle oude planten verdord, en nu wachten de jonge planten en masse op een beetje meer zon en warmte. Dat lijkt een uitgelezen strategie voor een veranderend klimaat: winter en voorjaar als groeiseizoen, en de moeilijke tijd overleven als zaad. Biologen noemen dat winterannuellen, waartoe bijvoorbeeld ook vroegeling, akkerviooltje en korenbloem behoren.  De planten passen zich aan, of de bijen en vlinders volgen zal moeten blijken. Let maar eens op welke winterannuellen komend voorjaar de dienst gaan uitmaken.  Ik voorspel een jaar van de ooievaarsbek.

Geplaatst in de Gelderlander 2 januari 2018

Advertenties

Sportieve dassen in Otterlo

Ha die das!

De begroeide wal scheidt leefgebied voor de das van het sportveld.

De voetbalvereniging in Otterlo was aan een nieuw sportpark toe en de gemeente vond een mooie plek aan de oostrand van het dorp. Dat kon nog net mooi aan de rand van de Hooge Veluwe dacht men. Maar de natuur houdt zich niet aan harde grenzen, juist het agrarisch gebied met houtsingels bleek foerageergebied voor de das. Hier scharrelt hij ’s nachts zijn regenwormen, kevers, zaden en vruchten bij elkaar, om zich overdag lekker terug te trekken in zijn hol. De das is streng beschermd en zijn leefgebied mag niet worden aangetast. En in het sportveld zelf willen ze natuurlijk ook geen wroetende das. Hoe kun je dat sportief oplossen?

Ecologen en ontwerpers hebben een plan gemaakt om rondom het sportpark het gebied extra aantrekkelijk te maken voor de das. Het sportpark is nu twee jaar in gebruik. Wat merkt de das hiervan?

Het sportpark ligt 150 meter van de weg, op een doordeweekse dag zie je het nauwelijks liggen.  Op zaterdag valt de parkeerplaats ervoor op, als die volop benut wordt. De sportvelden zelf worden omgeven door een drie meter hoge wal met gras en struiken. Bovenop de wal staat een hek die het publiek binnen, en de das buiten het sportveld houdt. Er staan gevarieerde struiken zoals meidoorn en sleedoorn die bessen dragen waar de das van houdt.

Ongelijkvloerse kruising voor de das.

Het leefgebied voor de das houdt niet op bij de doorgaande weg. Langs de weg staat een dasdicht raster, en onder de weg door is een buis aangelegd voor de das. Aan de overzijde zijn struiken aangeplant en is een strook met graan en kruiden aangelegd, als compensatie voor het sportveld. De struiken zijn  nog jong, maar in de kruidenstrook kan de das nu al voedsel zoeken.  Ik zie nog geen dassensporen rond de tunnel. Wel vliegt de geelgors al rond in de kruidenrand. Deze vogel houdt van hetzelfde type leefgebied en profiteert als eerste. De das moet nog even wennen aan de uitbreiding, maar ik geef hem hier goede kans.

Geplaatst in de Gelderlander 28 november 2018.

De geelgors blijft ook ’s winters in Nederland.

 

Bladluizen zwaaien de zomer uit

Het lijkt erop dat de lange zomer zijn laatste adem heeft uitgeblazen. Waar vlinders en libellen nog slechts mondjesmaat rondvlogen, werden we de laatste weken van oktober getrakteerd op wolken kleine vliegjes. Die vliegjes waren echter bladluizen. Dat is opmerkelijk want normaal ligt de bladluizenpiek in de voorzomer en zomer. Menigeen ervoer dit met de luizenplak die vanuit bomen op auto’s terecht kwam. Er waren niet eens uitzonderlijk veel luizen, maar de luizenplak spoelde niet weg bij gebrek aan regen. Die luizenplak wordt gevormd door luizenpoepjes. Dat klinkt niet smakelijk totdat blijkt dat bijen deze plak verzamelen en omvormen tot honing.

veel vliegende bladluizen sneuvelen in spinnenwebben en op de vensterbank.

Dat doen ze weliswaar omdat er weinig bloemen zijn, maar je krijgt er een donkere honing van met een wat sterkere smaak. De luizen hebben de bijen dus een beetje geholpen de droge zomer door te komen. En nu vliegen ze met wolken tegelijk rond, dit is een verlate nazomervlucht.

Luizen hebben een ingewikkelde jaarcyclus.  De meeste luizen hebben geen vleugels en een groot deel van het jaar zijn er alleen vrouwtjes. Ze produceren eenvoudig jongen zonder sex.  Als er minder vers groen voor de luizen is,  ontstaat een nieuwe generatie met vleugels. Later in het jaar zijn dit naast vrouwtjes ook mannetjes, die gaan paren. De luizen sterven gewoonlijk, maar pas nadat ze eitjes hebben gelegd.  De eitjes leggen ze meestal op takken van bomen en struiken, en deze moeten de winter doorkomen zodat de eerste voorjaarsluizen zich tegoed kunnen doen aan uitlopende knoppen. Dit levert nogmaals gevleugelde luizen op die dan overvliegen naar allerlei andere planten, niet zelden onze groenten en bloemen. Of deze grote najaarsvlucht volgend jaar extra veel bladluis oplevert valt nog niet te zeggen.

Wel vormen bladluizen voedsel voor heel veel andere insecten en ook voor kleine zangvogels zoals de pimpelmees. We mogen ze toch een beetje dankbaar zijn.

Geplaatst in de Gelderlander 31 oktober 2018

Droogte levert rijke oeverflora op langs de Waal

Van een brede geul rest een smal water, hoe verder naar boven hoe langer er al oeverplanten groeien.

Prachtig waren de warme nazomerdagen in oktober. Bij de grote rivieren kun je zien dat de droogte nog steeds voortduurt. De Rijn tussen Arnhem en Maurik wordt nog relatief hoog gehouden door de stuwen. Bij de Waal is de waterstand uitzonderlijk laag, en al lange tijd. Dat levert ook brede droge slikranden op langs plassen in de uiterwaarden. Hier komen veel warmteminnende zomerkiemers tot ontwikkeling die in sommige natte jaren soms geheel ontbreken. Dit jaar zijn ze er in groten getale, zoveel dat ze zelfs meerdere zones van hoog naar laag langs de oevers vormen.

Overgang, met hogerop klein vlooienkruid (gele bloem) en veel liggende ganzenvoet.

De zomer lijkt nu echt voorbij, maar dit zijn nog wat mooie plaatjes van die rijke rivierflora, die heeft geprofiteerd van de droge zomer.

Goudzuring, en onderin klein vlooienkruid.

Postelein, dezelfde die je als groente kunt eten, in warme zomers wild in Nederland langs de rivieren en soms gewoon op stoepen.

Een hele serie ganzevoeten vind je speciaal langs de rivieren, zoals deze liggende ganzevoet.

En de liggende ganzerik, ook een kruiper die snel open plekken probeert in te nemen.

Het summum voor de florist: een plantje van enkele centimeters hoog en een bloempje van 2 mm: het slijkgroen.

Een fraaie afgeslagen oever, van bovenaf gekoloniseerd door zilverschoon.

Krimpscheuren in de meest recent drooggevallen slikken.

Liefdesgras leidt tot winst voor Wageningen

Wageningen heeft de nationale groencompetitie gewonnen en dat komt vast en zeker doordat de jury werd verrast door een plantensoort die het Wageningse straatbeeld verrijkt: het straatliefdegras. Zij heeft immers het gemeentelijke groenbeleid onder de loupe genomen. Dan moet je opvallen dat dit lieftallige gras naast het alom aanwezige straatgras staat. Er is vast een Wageningse wetenschapper geweest die de jury hierop wees, om de maar liefst drie andere deelnemers de loef af te steken.

De naam liefdegras is oogstrelend, en duidt op de sierlijke bloeiwijze van verwante soorten siergras. Het straatschoffie onder de liefdegrassen groeit letterlijk op straat, tussen klinkers en stoeptegels op minder belopen en bereden plekken. Van zijn neef straatgras is het te onderscheiden door de iets grotere bloeiwijze met stijf uitstaande takjes, die vaak wat grijs getint is.

Staatliefdegras op zijn geliefde groeiplaats.

Straatliefdegras is een nieuwkomer in Nederland. De eerste vondst dateert al van 70 jaar geleden, maar pas de laatste dertig jaar is de plant algemeen geworden. En dat dan juist in stedelijk gebied, tussen stenen, op zonnige plekken.  Van oorsprong komt hij in de tropen voor. Wellicht profiteert hij van klimaatverandering, maar zeker ook van de stenige omgeving die we steeds meer creëren in Nederland. Er zijn inmiddels honderden plantensoorten die juist goed gedijen in stedelijke omgeving, en zo’n 70 daarvan komen vrijwel alleen in de stad voor. Naast klassieke muurplanten zoals muurleeuwenbek   en tongvaren zijn dat nu allerlei nieuwkomers op stoepen en grindrijke omgeving, zoals gehoornde klaverzuring en straatwolfsmelk, en zelfs de vlinderstruik. zo pakt de natuur stukjes steen terug.

De liefde voor groen ligt op straat, en de groene prijs ligt voor het oprapen. Maar of het hier nu groener is dan in Ede, Veenendaal of Rhenen kun je niet uit de prijsvraag aflezen, en ook niet van de straat.

Gepubliceerd in de Gelderlander 3 oktober 2018.

Sappige zwavelzwam in droge tijd

In een droge warme zomer denk je niet aan paddenstoelen. Toch is niets in de natuur te  gek en zo vind je in die droge zomer een paddenstoel. Paddenstoelenliefhebbers zien hun seizoen met vreze tegemoet,  toch schieten de eerste paddenstoelen uit de grond. Ik zie alweer een enkele boleet en amaniet in Wageningen.  En soms kun je in het bos middenin de zomer de grote stinkzwam ruiken. Waar deze paddenstoel met sponsachtig weefsel zijn vocht vandaan haalt is mij een raadsel.

Zwavelzwam langs de weg in Bennekom

De afgelopen maanden kon je af en toe al een grote oranjegele paddenstoel vinden die uit de zijkant van een boom groeit. En nu er wat meer vocht is duiken er meer op. Het is een zwavelzwam, die meestal met een toef van waaiervormige hoeden zonder steel uit een boom groeit. Als het wat donker weer is lijkt de paddenstoel bijna licht te geven.  Hij hoort bij de groep van de houtzwammen, maar blijft zacht vlezig. Na een paar maanden vergaat hij maar kan nog lang aan de boom blijven zitten in verbleekte toestand.

De zwavelzwam groeit op levende bomen en kan hierin rot veroorzaken. Het is een zwakteparasiet op vooral eiken, die alleen bomen met een wond weet te infecteren.  De boom hoeft er niet direct dood aan te gaan, maar verzwakt wel van binnen.  De paddenstoel weghalen helpt niet, want er zit dan al een uitgebreid schimmelweefsel binnenin de boom. Daarmee weet hij zelfs in de zomer genoeg vocht uit de boom te onttrekken om een paddenstoel te vormen.  En het rottingsproces helpt daarbij, want daarbij komt extra vocht vrij.

De paddenstoelen leveren weer een sappig hapje op voor allerlei insecten, en deze insecten vormen weer een hapje voor vogels.  Zo is de zwavelzwam jammer voor die ene boom, maar hij levert weer voedsel voor veel dieren. Uitzonderingen in de natuur komen goed van pas, juist bij extreem weer.

Geplaatst in de Gelderlander 5 september 2019

Dubbelzeisen aan de Fonteinallee

Voor het zevende jaar hebben we op 18 augustus jl. de wegberm aan de Fonteinallee gemaaid. Daarmee zorgen we dat het gebied niet verruigt en bijzondere bloemen kunnen blijven groeien. Deze dag middenin in de vakantie leverde een bescheiden opkomst van vier personen op.

De vegetatie was al aardig uitgebloeid, daarom is het een goed moment om te maaien.  Zelfs de agrimonie is uitgebloeid, en door verdroging soms niet eens aan bloei toe gekomen. Maaien doen we ambachtelijk met de zeis: je kunt pleksgewijs iets uitsparen, het geeft geen lawaai, en wel lichaamsbeweging. Maar al het dorre gras is moeilijk af te snijden. We vonden toch een aardige methode: eerst maaien, dan harken, en dan nog eens maaien tegen de eerste maai- en harkrichting in. Ik denk dat we patent gaan aanvragen op dubbelzeisen.

Bij het maaien vind je altijd wel iets leuks: hier pyjamawantsen op pastinaak.

Omdat de massa niet zo groot was, konden we toch in een morgen de hele wegberm maaien en harken, op de foto’s zie je het resultaat. De gemeente Renkum zorgt weer voor de afvoer van de zes hopen maaisel. en Landschapsbeheer Gelderland heeft het gereedschap te beschikking gesteld!

De sleutelbloemen, die ’s zomers kunnen afsterven, waren toch nog met wat groen blad aanwezig. Verder groeit er ook wel veel mos, we hadden gedacht dat dit door het maaien en afvoeren wel zou afnemen.

In ieder geval is er nu weer volop ruimte voor zaden en rozetten om weer uit te groeien voor volgend jaar. Laat de regen maar komen.

Renkumse heide – dorre steppe

In een rondje Renkumse heide word je nu wel sterk met de droogte geconfronteerd. Maar wat wil je met grof humusarm zand. De normaal grasachtige vlakte vol geel van composieten ligt er dor bij. Een groen bladje gras vind je slechts sporadisch in de rand. Andere groene planten en bloemen zijn uiterst schaars. Heel eenzaam zie je soms een bloemhoofdje van het biggenkruid.

Het massaal aanwezig Jakobskruiskruid is vrijwel overal volledig afgestorven. En van de braamstruwelen is ook niet veel over: geen vrucht te vinden, en de struiken zijn voor driekwart dood.

Zelfs het braamstruweel is grotendeels dor

Is er dan niets meer te beleven? Ja toch nog een vlinder: je raadt het al: een hooibeestje, zich dapper vastklampend aan het enige bloempje van Jakobskruiskruid die ik  nog vind.

En langs een rand vind ik kuiltjes met glimmende keutels; glimmend van schildjes van mestkevers, en er zitten dikke pitten van bessen in, ik denk vogelkers.

Dit zijn “latrines” van een das die hier zijn territorium wil aangeven. Hoog boven mij cirkelt nog even een buizerd, met een klaaglijke miauw.

Ik krijg medelijden met de blaarkoppen die  hier grazen. Maar ze kunnen tegen een stootje, en zullen wel een extra slok water drinken uit de bak die twee keer per week wordt gevuld.

En de natuur zal wel weer opveren. Er zijn nog levende wortels in de grond, en zeker heel veel zaden. Ik ben benieuwd of er een verschuiving gaat optreden in soorten die hier voorkomen.

Rijk insectenjaar 2018 – 2: op vakantie

Onze vakantie door Nederland beloofde interessant insectenweer, maar al snel werd duidelijk dat de droogte bloemen en insecten parten ging spelen. Toch hebben we nog heel wat bijzondere vlinders en libellen gezien, en ook een aantal merkwaardige insecten. De laatste zal ik hier wat van laten zien.

We verbleven een week op natuurcamping Wega bij Weert. De camping is voor een deel wat zandig terrein waar een aantal insecten dankbaar gebruik van maken. Het valt me gelijk op dat er verspreid over het terrein holletjes in het zand zitten met waaiertjes van zand eromheen. Al snel ontdekken we dat hierin zandbijen wonen, die regelmatig even hun gangetje uitschieten, en met hun achterpoten een golfje zand naar buiten werken. De achterpoten zijn stevig en met een haarrij, zodat ze het zand aan de kant kunnen roeien. In zo’n 10 seconden zijn ze weer terug in het holletje. Of ze vliegen weg om stuifmeel te halen voor hun eitjes in het gangetje. Waarschijnlijk is dit de kruiskruidzandbij.

Zandbij roeit het zand weg van haar nestgang, je ziet de golfjes zand die dat oplevert

Een paar dagen later ontdekken we nog een graver in het zand, een wat grotere soort wesp. Zij vliegt wat zenuwachtig rond de tent en gaat regelmatig op de grond zitten.

Grote rupsendoder rust uit op onze scheerlijn

Een dag later zien we waaraan zij zijn naam dankt. Zij blijkt in de weer met een dikke rups. Of ze ermee kan vliegen weet ik niet, lopen in ieder geval wel. Zij houdt de rups onder haar lichaam vast, met kaken en voorpoten. Doordat ze heel lange poten heeft kan ze met de vier overige poten toch nog lopen. We hadden haar wat verstoord, en ze bleef eerst maar rondslepen met de rups alsof ze het nestgat niet meer kon vinden. Uiteindelijk maakte ze maar een nieuw gat direct naast het vloerzeil van onze luifel. Dit is dus de grote rupsendoder.

Grote rupsendoder met rups op transport. Rups met de poten omhoog, kop naar voren.

Wat deze rupsendoder extra bijzonder maakt is de zeldzame vangst die het heeft gedaan: een rups met twee staartdraden, daarvan zijn er niet veel. En op de bovenkant een opvallende bruine tekening. Het blijkt de wilgenhermelijnlinder te zijn een vrij zeldzame soort die ook de op de Rode Lijst staat. De rups is zeldzaam en bovendien moeilijk te vinden in een wilgenboom. Bedankt rupsendoder, al blijft deze vlindersoort zo wel zeldzaam natuurlijk.

De rups van de hermelijnvlinder, even omgedraaid toen de wesp hem alleen liet.

Ook ontdekten we naast onze tent een wat kleinere wesp, die ook al met een prooi in de weer is.. Geen rups maar een spin, en inderdaad: dit is een spinnendoder. Ook zij is op weg de spin een een gangetje te stoppen, eitje erbij leggen en dan kunnen de wespenlarfjes er van smullen.

Spinnendoder vlak naast onze tent

In het Weerterbos vliegen weinig vlinders als wij er zijn, maar toch nog een bijzondere soort: de phegeavlinder. Het is een nachtvlinder die overdag vliegt, met opvallende witte vlekjes op de zwarte vleugels.. Het is een heel aparte groep van vlinders, en deze soort komt in Nederland alleen in Oostelijk Brabant en Midden-Limburg voor.

Phegeavlinder op koninginnenkruid

In de natuurgebieden op de grens van Nederlands en Belgisch Limburg is is nog wat meer vocht te vinden langs de beek, met bloeiende engelwortels. Hierop zitten heel wat insecten, waaronder de fraaie smalboktor.

En dan de eikenprocessierupsen, die vanuit het zuiden heel Nederland hebben veroverd. In de grensstreek zitten ze angstwekkend veel, niet een nest per boom, maar regelmatig 5 of 10! We gaan maar niet meer onder eiken zitten hier.

En tot slot nog een toprups, die we vinden in de omgeving Susteren. In het befaamde naturugebied de Doort, maar gewoon op een harig wilgenroosje langs een sloot. De vingerdikke rups blijkt een teunisbloempijlstaart te zijn. Het is een zeldzame soort in Zuid-Oost Nederland, die hier ook nog maar z’n 10-20 jaar voorkomt. Hij lijkt op te rukken met de klimaatverandering, en staat als een van de zeer weinig nachtvlindersoorten op de Europese Habitatrichtlijn van beschermde soorten. Een leuk vondst!

Nog veel meer vlinder- en libellenfoto’s van onze vakantie vind je op https://janboelvanfladderaarsenkruipers.wordpress.com/2018/08/05/vakantie-weert-en-omgeving/

 

Een rijk insectenjaar 2018

Met het warme weer van de afgelopen maanden is het een prachtig insectenjaar. Ik let er wat meer op, met een bijenhotel in de tuin, en ok dankzij de interesse voor insecten van mijn zoon. Ik heb dit jaar weer heel wat nieuws ontdekt, voor een groot deel in mijn eigen tuin. En er staan heel wat op de foto, vaak lukt dat verrassend goed met een mobiele telefoon!

Een bloemlezing voor de midzomermaanden. Kijk maar eens, en ga ook op zoek naar vreemd gevormde insecten!

 

Veel zweefvliegen lijken op bijen of wespen, zoals deze soort die ik voor het eerst thuis zag: de gewone wimperzwever.

Gewone wimperzweefvlieg

En deze grote fopwesp, een juweeltje, dit jaar meerdere keren gezien.

Grote fopwesp

Maar sommige hebben nogal afwijkende vorm. En afwijkende naam ook. In mijn eigen tuin ontdekte ik er twee:

De gewone rode bladloper

De vliegende speld, klein en teer.

 

En dan zijn er enkele soorten die erg op hommels lijken. Ik zag op verschillende plekken hommelreuzen. In de Bennekomse Meent kreeg ik hem prachtig op de foto.

Hommelreus op kale jonker

En op weg naar de volgende bloem. Let op de behaarde sprieten!

In mijn bijenhotel kwamen in het voorjaar  vooral metselwespen, nu later in het jaar piepkleine groefbijtjes, zo groot als de kleine mieren die tussen de stoeptegels zitten. En vervolgens komen de parasieten op bijen langs:

Een sluipwesp met enorme legboor bij het bijenhotel, soort onbekend.

en deze muurrouwzwever, tot een andere vliegenfamilie behorend nl de wolzwevers.

De muurrouwzwever, parasiet op wilde bijtjes in het bijenhotel

Ook zag ik verschillende keren de gewone wolzwever, een heel tere vlieg met heel lange snuit, die in hommelnesten leeft van het “afval ” dat de hommels produceren.

Gewone wolzwever, et enorm lange tong

Van kevers weet ik niet zo veel, wel dat er dit jaar opvallend veel meikevers waren. De volwassen kevers eten eikenblad, de larven worden engerling genoemd en eten graswortels.

Het zijn trage onhandige vliegers, aandoenlijk om te zien.

En op de Jacobskruiskruiden komen veel vlinders, maar ook andere insecten:

Blaaskopvliegen, mooi van lelijkheid

Een parasitaire graafwesp

Kortom, geniet van de insecten in tuin en op de camping. Er zijn maar weinig soorten die ons lastig vallen met steken, en veel “onschuldige soorten ” die zich camoufleren als gevaarlijke stekers!